Burger centraal bij echte marktwerking

29 september 2008 | Het Financieele Dagblad
Door: Huppes W.

Burgers oefenen in een goed functionerende democratie via politieke instituties invloed uit op de samenleving, maar op de zorgsector is de invloed echter gering. De overheid laat het aansturen van de gezondheidszorg vooral over aan talloze technocratische commissies, zoals de Commissie Farmaceutische Hulp en het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen. Die adviseren de minister product na product in procedure na procedure.

Ambtenarenrapporten creëren een kluwen van regelgeving, toezicht houden, kennisproductie en uitvoeren. Niemand heeft nog het overzicht. Maar de uitkomsten van dit technocratisch proces bepalen wel tot in alle detail wat een burger aangeboden mag worden in de zorg en welk tarief daarvoor geldt.

Grote hoeveelheden regels ondersteunen steeds minder het belang van de burger. Burgers kunnen er geen wijs uit en worden vaak wanhopig als ze zich verdiepen in hun behandelmogelijkheden. Het blijft onduidelijk of de vele nieuwe middelen uit de laboratoria waar zij in de media kennis van nemen, wel voor hen geschikt zijn. Het is ook niet helder waar deze verkrijgbaar zijn en wat ze kosten.

Het probleem is dat de belangen van de burger ondergesneeuwd zijn geraakt. In plaats van zich te buigen over manieren om in te spelen op de behoeften van de burger praat de politiek over medische techniek. En de bureaucratie van de zorgplaneconomie groeit ongestoord verder.

Deze technocratische beleidschaos ontneemt de politieke partijen de behoefte om fundamenteel na te denken over de inrichting van de zorgsector. De belangen van de burger komen maar niet over het voetlicht. Met het dogmatisch vasthouden aan de zorgplaneconomie vervreemdt de zorgsector zich steeds meer van de belangen van de burger. Echte marktwerking in de zorg betekent de vraag van de burger centraal stellen.

Dr. drs. W. Huppes, MBA, is internist te Hilversum.

(met toestemming auteur overgenomen)

Advertenties

Geef een reactie

Nu eens iets heel anders

Toen ik in juli 2007 bij Google voor het eerst “medicijnen” in typte, werd ik overspoeld door een veelheid aan informatie. Gesterkt door het voornemen van het kabinet om de zorgsector meer marktgedreven te maken, besloot ik om mezelf te gaan verdiepen in de zorgsector en alles wat daarmee te maken heeft.

Tachtig afspraken, honderden artikelen, rapporten en zeven maanden verder, had ik een aardig (zeker niet perfect) beeld van wat de zorgsector inhoudt. Wat me direct al opviel was dat er in deze markt, die nog lang geen echte markt is (kan dat wel?), heel weinig rekening wordt gehouden met de wensen van de klant. Hoewel iedereen over elkaar heen buitelt om te zeggen dat patiënten belangrijk zijn, bleek dat in de praktische alledag van de zorgconsument (ik gebruik liever dat woord, om de economische rol van een patiënt te duiden) dat allerminst het geval te zijn. Dat is niet bedoeld als een diskwalificatie van de spelers in die sector, maar breng ik hier puur op als constatering. Er zit ook nogal wat processen, procedures, constructies en andere verbanden in elkaar vervlochten in deze sector. Dat verander je niet heel snel.

Door een jarenlang zorgvuldig in stand gehouden medische doctrine van zorgproducenten (aanbodzijde), kon de rol van de patiënt niet verder evolueren dan een persoon die doorgaans gelaten zorg consumeert. Door de opkomst van internet echter, heeft die zorgconsument zich kunnen informeren over nieuwe medicijnen, andere behandelmethoden etc. Internet draagt in sterke mate bij aan de emancipatie van de zorgconsument omdat de informatie-achterstand verdwijnt. Dat gaat de komende jaren alleen maar verder toenemen als het gebruik van internet als informatiebron zich verder verspreidt. Zo ver niets nieuws.

Wat me tevens opviel, al in het begin van mijn “zorgstage” was dat de consument geen enkel economisch motief heeft in een zorgtransactie. Hij betaalt zijn premie en daarmee is het voor de consument afgedaan. Hooguit een keer per jaar even piepen als de premie alwéér omhoog gaat, of het basispakket weer wat verder wordt uitgekleed, maar dat is het dan ook wel. Stel je voor dat een nieuwe knie in Amsterdam Eur 1000 goedkoper is (en net zo goed uitgevoerd) als in Groningen. Het maakt de consument niets uit. “Het wordt toch wel betaald door de verzekering”. Iedereen in de zorgsector heeft een economisch, of op z’n minst een financieel motief, behalve de consument zelf. Overheid-budget, zorgproducent (arts)-inkomen, verzekeraar-premie. 

Om dingen te veranderen in de zorgsector bedachten we dat het goed zou zijn als een zorgconsument in ieder geval een (in-)direct financieel belang krijgt per zorgtransactie. Als we dat per transactie zouden kunnen inbouwen, geeft dat namelijk een kritischer inkoper (consument) op continue basis, dan als we dat zoals nu per premiejaar zouden handhaven.

Wat we ook zagen, was dat zowel overheid als consument klagen over het feit dat alles duurder wordt (4+ % per jaar) en dat zorgproducenten klagen dat ze te weinig geld krijgen om hun beroep goed uit te oefenen. En zo wordt de discussie altijd teruggevoerd naar geld. Maar over de hoofden van de consument.

Wat is “goed” eigenlijk. Ook daar zijn honderden zo niet duizenden werkgroepen, projectgroepen, verenigingen en stichtingen, al dan niet gesubsidieerd mee bezig. Dagelijks of jaarlijks. Continue. De achtergrond van de opdrachtgever of uitvoerder laat vaak een een beredeneerd beeld zien van het onderzoeksonderwerp. Lees bijvoorbeeld maar eens twee rapporten, gemaakt door twee verschillende groepen over hetzelfde onderwerp: de medicijnmarkt 2007 in Nederland. Een rapport van Vektis, vanuit de zijde van de verzekeraars. En ook een rapport van SFK, vanuit de zijde van de apothekers. Begrijpelijk dat daar interpretatieverschillen optreden, maar het is voor een consument (als die zich al verdiept in deze materie) allemaal niet overzichtelijker.

Juli 2007 was er een zomerdebat van de KNMP in Utrecht, dat ik mocht bijwonen. Het was heel leerzaam om de “cats and dogs” in een ruimte bij elkaar te zien. Mike Leers, bestuursvoorzitter van CZ, was ook uitgenodigd om zijn verhaal te doen. Leerzaam en inspirerend. En het was daarmee ook een van de directe aanleidingen om te komen tot wat we nu doen met FarmaFit:
* meer transparantie,
* meer vraaggedreven kwaliteit,
* meer economisch motief bij de consument,
* echte aanbiedersconcurrentie.

Met hetzelfde doel als bijvoorbeeld de KNMP als slogan heeft “samen naar een betere kwaliteit van zorg”. Dat doel delen en daarom gaan we er samen mee vooruit, het doel is hetzelfde. Maar deze ene keer neemt de consument het voortouw!

Welkom bij FarmaFit.nl !

Bart Jaspers

Geef een reactie

Consumenten krijgen het steeds meer voor het zeggen

Met toestemming overgenomen uit het Financieel Dagblad van 28-jan-09.

We kunnen straks meebepalen welke producten worden ontwikkeld, hoe ze eruitzien en wat we ermee kunnen. Productontwikkeling democratiseert.

door: Jan Kees van der Veen

 

Eindhoven

Verlichting, auto’s, speelgoed, ziekenhuisapparatuur, software, websites, winkelinrichtingen, belastingformulieren: er is vrijwel geen product te bedenken dat zonder bijdragen van gebruikers tot stand is gekomen. ‘User Centered Product Development’ heet deze manier van werken. Het is niet nieuw, maar heeft de laatste jaren een enorme vlucht genomen. Werden consumenten vroeger pas aan het eind ingeschakeld – om prototypes te testen – tegenwoordig denken ze vanaf het begin al mee over welk product er eigenlijk ontwikkeld gaat worden. Consumenten worden voor vol aangezien en krijgen steeds meer inspraak in de vormgeving.

Marc Steen, gepromoveerd in ‘mensgericht ontwerpen’ en werkzaam bij TNO Informatie- en Communicatietechnologie, koppelt de trend aan de opkomst van open innovatie. Bedrijven zien in dat een product op eigen kracht ontwikkelen vaak niet efficiënt is. Als er nieuwe expertise nodig is, is het vaak slimmer een partner te zoeken die deze deskundigheid al in huis heeft. De investering is lager en het risico wordt gespreid.

Gebruikersparticipatie past hierin: het bedrijf zet de deur van zijn keuken op een kier om gebruikers te laten meekijken. De producent geeft iets prijs van zijn plannen, maar verlaagt daarmee het risico dat het product flopt.

Steen signaleert dat bedrijven steeds vaker producten lanceren die ‘niet af’ zijn, dus zonder volledige functionaliteit, of nog niet helemaal uitgetest. Klanten mogen het product verder testen en ervaringen melden aan het ontwikkelteam. Dit bouwt een verbeterde versie, verspreidt die opnieuw, enzovoort.

Bij softwareontwikkeling is dit procedé gebruikelijk, omdat internet de verspreiding van nieuwe productversies heel gemakkelijk maakt. Soms doen tienduizenden onbezoldigde testers mee. Een win-winsituatie: de consument krijgt een beter product en het bedrijf verlaagt zijn risico. ‘We leren studenten een universeel toepasbare methodologie om achter gebruikerswensen te komen’, zegt Pieter Jan Stappers, hoogleraar Design Techniques aan de TU Delft. Of je nu gebruiksvoorwerpen ontwikkelt, openbare ruimtes of diensten, de aanpak is hetzelfde. Studenten leren hoe ze de dieperliggende beweegredenen, de waarden, kunnen vinden achter de directe behoeftes. Dat is vooral belangrijk bij het bedenken en ontwikkelen van nieuwe producten.’

Omdat gebruikersonderzoek arbeidsintensief is, maken kleine bedrijven die zich geen vaste onderzoekskracht kunnen permitteren, gebruik van de diensten van een groeiend aantal gespecialiseerde bureaus. Het twaalf man sterke Amsterdamse adviesbedrijf User Intelligence bijvoorbeeld, richt zich op het testen en verbeteren van de gebruiksvriendelijkheid van websites. Het werk neemt gestaag toe. Bedrijven beseffen dat een website het visitekaartje van een bedrijf is, en zijn bereid in gebruikersonderzoek te investeren.

Bedrijven halen gebruikers er niet bij uit menslievendheid. Andere motieven spelen een rol. Door de globalisering van de economie en de snelle verspreiding van technologische kennis via internet, wordt het voor bedrijven steeds moeilijker producten te maken die zich onderscheiden van de concurrentie. Telkens weer nieuwe technische snufjes in producten stoppen werkt niet meer. De concurrentie volgt immers bliksemsnel.

Worden producten beter als gebruikers meedoen aan de ontwikkeling? Stappers: ‘Het bewijs hiervoor is niet te leveren. Je weet immers nooit wat er gebeurd zou zijn als gebruikers niet hadden meegedaan. Maar de belangrijkste aanwijzing dat de aanpak succesvol is, is dat bedrijven die ermee beginnen, ermee doorgaan.’

(Jan Kees van der Veen is freelance journalist)

Werkgelegenheid is geen probleem. Er is veel vraag naar onderzoekers van gebruikers

Een interactief aerobics-apparaat ontwikkeld door Philips. De sfeerachtergrond (in dit geval een foto van Parijs) kan worden ingesteld. De sporter krijgt op het beeldscherm een profiel te zien van haar bewegingen, met advies en informatie over haar hartslag.

Bibliotheek Meer contact personeel met studenten

Toen de bibliotheek van de Vrije Universiteit in Amsterdam haar informatiebalie opnieuw wilde inrichten, riep zij de hulp in van de faculteit Industrial Design Engineering van de TU Delft. Martje van der Linde studeerde erop af. ‘Het baliepersoneel verbaasde zich erover dat studenten zelf probeerden te vinden wat ze zochten en nooit iets kwamen vragen. Na uitvoerige observaties, interviews en groepsgesprekken bleek dat het personeel een heel ander beeld had over de eigen benaderbaarheid dan de studenten.’ Om het contact te verbeteren, werd de balie opener en uitnodigender gemaakt. Boeken werden weer lopend weggebracht om ‘ontmoetingen’ tussen personeel en studenten te bevorderen.

Philips Wat kan er nog beter aan de stofzuiger?

Drie jaar geleden besloot elektronicaconcern Philips te onderzoeken wat klanten nu echt vonden van het gemak van hun stofzuigers. Een groep van dertig gebruikers werd geïnterviewd en geobserveerd. Een veel genoemde klacht was rugpijn. Niet zo verrassend, zou je zeggen. Maar het was in 140 jaar stofzuigerontwikkeling kennelijk nog nooit eerder serieus genomen. Philips betrok gebruikers in het ontwikkeltraject van een nieuwe stofzuigerlijn. Marketingmanager Wendeline Jans: ‘Vroeger startte bij Philips productontwikkeling met technologie, nu met de eindgebruiker. We luisteren goed en vragen door. Waarom zeg je dit of dat? Er is een verrassend product uitgekomen, maar toch was de ontwikkeltijd niet langer dan normaal.’ De Ergo-fit stofzuigerlijn is in oktober 2008 gelanceerd.

TomTom Gebruikers van navigatie helpen elkaar

Navigatiesystemen veroveren de wereld. Maar een groot probleem voor kaartenmakers, is dat het wegennet voortdurend verandert. Door wegenaanleg, maar ook door overheidsmaatregelen. Wegen worden afgesloten voor auto’s of worden eenrichtingverkeer, straatnamen veranderen. Hoe is dat bij te houden? De softwarefunctie Map Share, van navigatiekastjesmaker TomTom, lost het op met hulp van gebruikers. Die geven geconstateerde fouten via hun systeem en internet door aan TomTom. De kaarten worden geüpdatet en meteen weer via internet beschikbaar gesteld. Een groot succes: een half jaar na de start waren er een half miljoen deelnemers en een miljoen doorgegeven wijzigingen.

Belastingdienst Leuker kunnen we het niet maken….

Formulieren moeten begrijpelijk zijn, de website duidelijk en de medewerkers van de belastingtelefoon goed geïnformeerd. Vandaar dat een team van gebruikersexperts klanten erbij haalt. Teamlid Jet de Ket: ‘Gebruikers hebben geen inspraak welke producten ontwikkeld worden. Dat bepaalt de belastingwet. Maar ze hebben wel invloed op de vorm. Zodra er een ontwerp ligt van bijvoorbeeld een elektronisch aangifteformulier, kijken gebruikers mee. Het heeft vele jaren gekost voordat deze manier van werken binnen de Belastingdienst is geaccepteerd, maar het is nu standaard.’ Wie het doen van een aangifte nu vergelijkt met tien jaar geleden, moet vaststellen dat het een stuk makkelijker is geworden.

Geef een reactie

Uit het FD d.d. 6-okt-08: “Marktwerking in zorg mag niet ten koste gaan van medicatieveiligheid”

Ton de Boer, Marcel Bouvy, Henk Buurma en Toine Egberts

De politiek moet nu voor een goede, dekkende tariefstructuur voor apothekers zorgen

De hamvraag in de discussie over de veranderende rollen van apothekers en verzekeraars bij de inkoop van medicijnen (preferentiebeleid) is of de patiënt er beter van wordt.

Die patiënt heeft te maken met complex en chronisch medicijngebruik. Moderne, geavanceerde geneesmiddelen kunnen veel gezondheidswinst brengen. Maar als ze niet op de juiste wijze worden toegepast is de kans op een averechts effect niet te verwaarlozen. Een groot Nederlands onderzoek bevestigde vorig jaar de cijfers uit vele buitenlandse onderzoeken: één op de twintig ziekenhuisopnamen in Nederland is het gevolg van (verkeerd) voorschrijven of gebruik van geneesmiddelen. Jaarlijks zouden 16.000 van zulke opnamen vermijdbaar zijn.

Om schade door geneesmiddelen te vermijden is zorgvuldige samenwerking tussen patiënt, arts en apotheker nodig. In de huidige spiraal van emotie en machtsstrijd schuilt het gevaar dat zorgvuldig opgebouwde samenwerkingsverbanden in het slop raken.

Apothekers hebben altijd vooropgelopen om de risico’s die medicijngebruik met zich meebrengt te beperken. Een geavanceerd medicatiebewakingssysteem dat de afgelopen decennia is ontwikkeld heeft zijn nut inmiddels bewezen. De samenwerking met artsen (onder andere in het zogenaamde farmacotherapeutisch overleg), gericht op rationeel en doelmatig voorschrijven, wordt gewaardeerd en oogst in het buitenland bewondering.

Nederland behoort mede daardoor zowel in volume als in kosten van het geneesmiddelengebruik tot de zuinigste landen in West-Europa. En dit terwijl in tegenstelling tot veel andere landen bijna alle geneesmiddelen in Nederland volledig vergoed worden en de toegankelijkheid van de zorg gewaarborgd blijft.

Apothekers werken bovendien samen met voorschrijvers aan allerlei zorgvernieuwingen, zoals betere voorlichting over geneesmiddelen, betrokkenheid bij de controle op herhaalrecepten en periodieke evaluaties van geneesmiddelengebruik bij kwetsbare ouderen die meerdere medicijnen gebruiken.

Ironisch genoeg waren het de bonussen en kortingen die dit soort zorgverlening door apothekers lange tijd mogelijk maakten. Inkomsten waartoe apothekers door het beleid van de toenmalige staatssecretaris Simons gestimuleerd werden in het kader van marktwerking in de zorg. Door de recente prijsverlagingen van merkloze geneesmiddelen is een belangrijk deel van deze inkomsten nu verdwenen.

De nieuwe situatie biedt echter ook kansen: apothekers kunnen nu echt gehonoreerd worden voor de zórg die zij verlenen. Er moet daarbij gezocht worden naar een bekostiging waarin de verlening van zorg veel meer tot uiting komt. Naast de inspanningen rond het zorgvuldig afleveren van recepten, moet in zo’n tarief worden versleuteld dat apothekers zorg verlenen die níét receptgebonden is, zoals een periodieke evaluatie van geneesmiddelengebruik bij kwetsbare ouderen die veel medicijnen gebruiken, het organiseren van farmacotherapieoverleg met artsen en het letten op de risico’s van overbehandeling of juist onderbehandeling bij patiënten met een chronische ziekte.

Ook bij opname of ontslag uit het ziekenhuis kan de apotheker een rol vervullen bij het in goede banen leiden van medicijngebruik. Deze activiteiten zijn allemaal gekomen naast de traditionele taken van het bereiden en beschikbaar stellen van kwalitatief goede geneesmiddelen, het letten op de combinatie met andere medicatie en de ziektegeschiedenis van de patiënt, en de zorg voor de informatieverstrekking over geneesmiddelen.

De discussie over medicatieveiligheid, die recent nog met zo veel passie werd gevoerd, moet nu vooral niet vergeten worden. De bonussen en kortingen die niet meer bij de apothekers terechtkomen, moeten gebruikt worden om deze verder te vergroten.

Zorgactiviteiten zoals hierboven genoemd zouden gewoon vergoed moeten worden. Het is hoog tijd dat de politiek serieus aan de slag gaat met een goede, dekkende tariefstructuur. Een die past bij het profiel van de apotheker als zorgverlener anno 2008. De wettelijke basis (WGBO) is er inmiddels. En de apotheker bezit, met een vernieuwde opleiding en een verdere professionalisering van de vervolgopleiding, de kwaliteiten om deze nieuwe rol waar te maken. De apothekers zijn er klaar voor.

Prof. dr. Ton de Boer is arts en hoofd departement farmaceutische wetenschappen Universiteit Utrecht. Dr. Marcel Bouvy en dr. Henk Buurma zijn apotheker en werken bij SIR Institute for Pharmacy Practice and Policy. Prof. dr. Toine Egberts is ziekenhuisapotheker.

Geef een reactie

Marktwerking in de zorg. Kwaliteit is een gelukkige klant.

Naar aanleiding van ingezonden artikel in Financieel Dagblad “Marktwerking in zorg mag niet ten koste gaan van medicatieveiligheid” d.d. 6-okt-08 een overweging:

Wat jammer dat de ook deze heren, na al die jaren van vette bonussen en inkoopkortingen, niet verder komen dan een pleidooi voor een “continuering van de discussie over medicatieveiligheid”, welke “gefinancierd zou moeten worden door een dekkende tariefstructuur”. En daarbij leggen de auteurs nota bene ook nog eens de bal bij “de politiek”, in plaats van actief zelf eens de hand aan de ploeg te slaan en voor de (gecumuleerde) riante beloningen van de afgelopen decennia zich oprecht en direct in te spannen voor de patiënt, in plaats van de maximalisatie van de winst in de apotheek-BV. Het destijds verkregen medisch-wetenschappelijk brevet blijkt hier wederom, met alle respect, geen verzekering van economisch inzicht te zijn.

80% Van de markt is herhaalmedicatie. De heren zouden zich eens kunnen afvragen wat de <client acquisition cost> zijn in een semi-markt zoals de energiemarkt (met beperkte overheidsregulering), laat staan in een echte markt (met vrije prijsvorming en product- dienstenaanbod). Het verwijzen naar Hans Simons’ bestuursperiode (1989 – 1994) doet vermoeden dat de auteurs ook na al die jaren zijn blijven hangen in de planeconomische zorgsystematiek van na de tweede wereldoorlog.

Maar wat heerlijk dat ook de “kansen van de nieuwe situatie” worden onderkend! De overgrote meerderheid van de apothekers bereidt al jaren geen medicijnen meer; de term “magistrale bereiding” komt niet eens meer voor in het SFK-rapport over 2008 (nog wel in 2007 als handeling waarvoor extra vergoeding werd bepleit).

Termen als “medicatieveiligheid”, “in goede banen leiden van medicijngebruik”, “polyfarma-trajecten”, “ziektegeschiedenis”, “zorg voor informatieverstrekking” kunnen al jaren bijzonder eenvoudig uitgevoerd worden door de juiste toepassing van informatietechnologie in de apotheek. Het AIS (Apotheek Informatie Systeem) kan al prima communiceren met het HIS (Huisarts Informatie Systeem). Internet distribueert informatie onafhankelijk van welk databasesysteem er gebruikt wordt. Google Health wordt er klaar voor gemaakt, maar wij ruziën in Nederland al jaren door over het invoeren van een EPD, EMD en zelfs EKD. Hoeveel dossiers wilt u hebben? Maar het delen van medicatie-informatie van “mijn klant” met een apotheker 3 dorpen verderop is niet mogelijk in verband met “systeemproblemen” of “de privacy van de patiënt” om maar een paar veel gehoorde argumenten te noemen. De huisartsenpost in het weekend (bemand door goedwillende, hardwerkende zorgprofessionals) vraagt gewoon per telefoon aan een patiënt of “er nog andere medicijnen worden gebruikt”. “Nee? Dan faxen (!!) we het (handgeschreven) recept nu naar de Centraalapotheek”. Hallo daar, het is bijna 2009!

Tientallen (zoniet honderden) jonge, net afgestudeerde apothekers, zijn de afgelopen jaren, behangen met enorme bankleningen om de goodwill van de vertrekkende apotheker te kunnen betalen, apotheker-ondernemer geworden in de veronderstelling net als hun voorgangers eurotonnen per jaar aan inkoopkortingen en bonussen te toucheren. En bedankt voorgangers. Het preferentiebeleid gaat hier pas écht een financiële crisis veroorzaken. Nu de zorgverzekeraars sinds deze zomer het preferentiebeleid daadwerkelijk zijn gaan uitvoeren, rest de apothekers van dit land schijnbaar niets anders dan angstzaaiende publiekscampagnes en eigen-parochie-ingezonden-brieven in nieuwsbladen.

Waarom zou het het farmacotherapieoverleg (FTO) in Den Haag anders zijn dan in Groningen, dan in Maastricht? Waarom is het formularium (ergo: welk medicijn schrijft een arts voor bij welke indicaties) in Nijmegen anders dan in Amsterdam? Is bijvoorbeeld een Indonesiër met diabetes in Den Haag, echt anders dan in Amsterdam, of Apeldoorn? Waarom is het formularium überhaupt anders per stad / regio?  Waarom bestaan er nog steeds AHOED-constructies, terwijl die bij wet verboden zijn? Waarom zijn er nog steeds 10 medicijndoden per dag? Dat zijn er ruim 3.500 per jaar! Medicijnveiligheid? Polyfarma? “16.000 vermijdbare ziekenhuisopnames”? Te vermijden door wie? Waarom zo vertragend werken?

Als 80% van de markt toch bestaat uit herhaalmedicatie (lees: gedwongen-terugkerende klanten), waarom dát dan juist niet aan de TNT’s van deze wereld uitbesteden? Herhaalmedicatie is niets anders dan logistiek+. Met een paar apothekers in dienst blijven ze in ieder geval binnen de wettelijke kaders. Niet voor niets dat de huisartsen (die op hun beurt weer 80% van de herhaalmedicatie voorschrijven) suggereren om de verstrekking van die medicatie dan maar zelf te doen. De 20% die dan nog overblijft is spoed-medicatie, urgent. En waar gaan Nederlanders naar toe als ze met spoed medisch geholpen moeten worden? Het ziekenhuis. Behoudens een enkele stip op de kaart, die mogelijk wegens mismanagement of onderlinge professionele, maatschap-interne, financiële kift verdwijnt, zijn er ruim voldoende fysieke locaties voor acute medische zorgverlening. En als u wilt weten welk ziekenhuis het beste presteert koopt u net zoals alle andere Nederlanders de Elsevier, waarin dat haarfijn en onderbouwd, uit de doeken wordt gedaan. Dat zou een mooi onderzoek zijn voor apothekers en farmaceuten.

Hoera voor de ziekenhuis-apotheker! De slimme apotheker, kiest beter! De apotheker van de toekomst kiest niet voor AHOED, maar ZAOED;  voor een ziekenhuislokatie. En snel ook. Er zijn ruim 1800 apotheken in Nederland. Degene die daarvan het aantal ziekenhuizen aftrekt en het resultaat van deze eenvoudige som deelt door 10 (aankomende) jaren, kan de koude sanering van het aantal apotheken becijferen.

En vanaf nu anders.

Waarom zo defensief? Waarom niet open zijn? Kijken waar je toegevoegde waarde kunt leveren. ’s Nachts vanzelfsprekend een hoger dienstentarief dan overdag op een werkdag? 1e medicijnuitgiften beter beloond dan herhaalrecepten. Waarom geen continue fase-4 panelonderzoek onder 250.000 consumenten? Kennis is macht, kijk naar Google (Health)! Waarom geen primaire gebruikersdata over gebruik en voorkeuren verzamelen en daarmee medicatie beter afstemmen op consumenten op basis van sexe, leeftijd, BMI, ras, ICPC-code of wat al niet meer van invloed is? Open source software is er al. Waarom geen open source medicine? En verdienen op de juiste toepassing van medicatie! Waarom herhaalmedicatie niet door TPG standaard thuis of op het werk bezorgen? Waarom niet? Wat gebeurt er als je grote hoeveelheden <health data> aan de community geeft… De toekomst (ook van medicine) is niet (alleen) meer die van dure en trage labs, maar van data! Ook Wired magazine is leuk om te lezen in dat kader. Data is grondstof, informatie het product en toepassing van <personalized medicine> de dienst.

Er is een uitweg! Word open. Verschuil u niet achter pseudo-argumenten van medicatieveiligheid die door het indrukken van de escape-knop in het AIS door een middelbaar opgeleide apothekersassistente (onder uw universitaire achteraf-supervisie: Als [ATC-code voorkant receptblaadje] = [ATC-code sticker uitgeleverd medicijn achterkant receptblaadje] dan zet [paraaf]) voor kennisgeving wordt aangenomen. Word open. Laat aan uw klanten (zorgconsumenten) zien dat u van ze houdt! Niet van hun geld, maar van hun gezondheid en welzijn!

Zorg dat ze (middels nauw overleg via het FTO) minder of minder dure medicatie gaan gebruiken met verbetering van gezondheidsresultaat en alle verzekeraars gaan van u houden! En uw klanten ook! Spreek met de verzekeraars en de (huis-)artsen af dat u minder omzet maakt, maar mogelijk wel meer winst! Dan zal niemand vallen over uw Vpb-aangifte of uw salaris want de door u gerealiseerde maatschappelijke winst is conform uw apothekerseed bereikt (of zo u wilt de eed van Hippocrates) en is tevens vele malen groter dan uw winst of salaris. Ik trakteer de eerste apotheker die (na aanmelding aub) in 2009 meer winst maakt met minder omzet en gezondere klanten heeft, op een super-training naar een prachtig oord. Dit alles heeft maar een doel: een gelukkige klant! Uw klant komt nu alleen omdat uw winkel dichtbij de supermarkt is gevestigd.  Een gelukkige klant komt graag en vrijwillig terug bij u! Omfietsen geen probleem.

Het kan!

Geef een reactie